/…/

 

Een nevel hing in de straten, drong door tot in de kamer, die vochtig was. Hij lag op de vloer met uitgestrekte armen, zijn rug naar het plafond. Enkele dingen hadden zich verplaatst.
Over de vloer rolde een zilveren kelk heen en weer, alsof de kamer op water deinde. Het licht was verblindend. De vloer schokte, trilde. Vanaf het plafond drupte een zachte regen. Hij werd bij de kraag gevat en iets verderop, met een plof, neergegooid. Hij had zich bezeerd aan zijn voorhoofd. Hij vond het een groot onrecht. Hij lag nog steeds op zijn buik, nu met het hoofd opzij, zijn armen ongemakkelijk aan zijn lijf, bijna overbodig. Een straaltje bloed sloot zich aan bij een waterplas, versnelde, maar aarzelde algauw, terwijl de kleur lichter werd. Met zijn tenen duwde hij zich vooruit. Hij keek over het niveau dat met water gevuld was. Ergens in de kamer viel iets op de grond. Het had op tafel gestaan. De vloer helde en het water verdween. Op sommige plekken liet de pleister het plafond los. De plakken vielen zwaar neer en braken lomp uiteen. Er was meer bloed nu, niet van hem. Het brak uit de poriën van de muren. Het gulpte uit een hoek van de kamer. Er verscheen een golfslag. Door de plotse stroming sloeg hij tegen een plint. Hij voelde geen pijn, maar warmte. Het licht bracht hem van de wijs. Hij dacht dat hij dreef, maar hij zag grote oppervlaktes vloer onder zich en het water en het bloed dat schuimde, zich een weg zocht, stuwend, klotsend, opspattend en zich terugtrok. Een lange muur van de kamer ging schuin staan. De vloer versmalde en werd een goot. Hij werd door het plafond aangezogen. Terwijl hij steeg zag hij iets langs naar zich toekomen. Het viel rakelings verder, net een ladder of een steiger. Het was of de lucht bobbels had. Hij vloog schokkend en tuimelde door de kamer. In een orkaan brak de vloer aan scherven en loste op. De kamer was leeg. Uit een openstaand raam kwam een lauwe wind. Sommige muren waren dubbel. Hij dacht, terwijl hij door de kamer liep, dat hij zich in het binnenste van een muur bevond. Hoewel hij zich vrij kon bewegen, waren zijn bewegingen moeizaam, geremd. In richtingen geduwd die hij niet wilde. Hij begreep het niveau niet. Toen hij er in stond, schoof een glasplaat geruisloos over de vloer. De muur tegenover het raam was schuin, hij helde naar achter. De ruimte van de kamer probeerde naar boven te ontsnappen, naar het plafond, dat kromme zijden had en veel groter was dan de vloer.
Hij stond met zijn rug tegen de muur, naast het raam. De kamer was duidelijk onregelmatig van vorm en groot. De afstanden waren moeilijk te schatten. In de hoek van de kamer was een hoop teelaarde. Uit de hoop steeg een warme damp op.
Hij zat aan tafel en keek door het open raam. Het tafelblad was met enkele vellen papier bedekt. Het was een oude rustiek tafel. Een kleine tafel. De vloer was van glas en gaf licht. Het glas was onderaan van een laagje opaline voorzien. Het was een soort lichtbak. De deur tekende zich duidelijk af in deze grote, witte kamer.
Wanneer hij achter de man aan tafel voorbij kwam, keek die niet op. Hij wandelde besluiteloos door de kamer en zag op het einde de muur wijken. Zijn stappen klonken luider dan voorheen, voller. Toen hij stilstond hoorde hij een nagalm, als van een zware deur die hij dicht smakte in een heel grote kamer. Hij bevond zich in de kamer, maar hij zag onduidelijk de grenzen ervan. Het was of hij de kamer dacht. Hij stond niet op de vloer, maar er iets in verzakt. Om niet te struikelen moest hij een kleine trede op, net of hij uit een kleine ondiepe put stapte. Hij voelde zich heel breed worden, gelijk een muur. Hij draaide zich om. Hij bemerkte een ding op de vloer waarvan hij niet wist wat het was. Misschien een vogel waar ooit voor gepredikt werd.

(Eric Colpaert, voorjaar 1993 – voor het eerst gepubliceerd in PLAATS/HOOGHUIS – a desire for a powerful Perception of Prescence, juni 1993 Arnhem (Nl.). Over het verlangen naar een intieme verhouding tussen plaats en individu met bijdragen van o.a. Henriëtte Heezen, Eric Colpaert, Marijke van Warmerdam, Henk Visch, Jerome Symons, Theo Schepens, John Körmerling, Harmen de Hoop, Marieke van Diemen, Jan Merx en Raoul Teulings).

 

 

 

/…/

 

A mist hung in the streets, penetrated into the room, which was damp. He lay on the floor, arms outstretched, his back to the ceiling. A few things had moved. A silver goblet rolled back and forth across the floor, as if the room were rolling on water. The light was blinding. The floor shuddered and trembled. A gentle rain dripped from the ceiling. He has gripped by the collar and thrown down with a thud a short distance away. He had hurt his forehead. He thought it was a great injustice. He was still lying on his stomach, but now with his head to the side, his arms uncomfortable with his body, almost superfluous. A trickle of blood ran into a puddle of water, speeded up, but soon wavered, while its colour became paler. He pushed himself forward with his toes. He looked over the level that was full of water. Something fell to the ground somewhere in the room. It had been on the table. The floor inclined and the water disappeared. The plaster fell from the ceiling in places. The lumps fell heavily and broke apart clumsily. There was more blood now, but not his. It broke out of the pores in the walls. It gushed out of a corner of the room. A surge appeared. Because of the sudden flow he banged into a plinth. He didn’t feel pain, only warmth. The light confused him. He thought he was floating, but he saw large areas of floor beneath him and the water and the blood foaming, seeking its way, swelling, sloshing, splashing and then retreating. A long wall in the room started to lean at an angle. The floor narrowed and became a channel. He was sucked up by the ceiling. As he was rising he saw something long coming towards him. It fell past him, close, it was like a ladder or scaffolding. It was as if the air had lumps. He flew in jolts and tumbled through the room. The floor broke into splinters in a hurricane and dissolved. The room was empty. A warmish wind came from an open window. Some of the walls were double. While he was walking across the room, he thought he was on the inside of a wall. Although he was able to move freely, his movements were laborious, impeded. Pushed in directions he didn’t want to go. He didn’t understand the level. When he was standing in it, a sheet of glass slid soundlessly across the floor. The wall opposite the window was at an angle, leaning backwards. The space inside the room tried to escape upwards, towards the ceiling, which had crooked sides and was much larger than the floor.
He stood with his back to the wall, next to the window. The room was clearly large and irregular in shape. The distances were hard to estimate. There was a pile of garden soil in the corner of the room. From it rose warm steam.
He sat at the table and looked through the open window. The table-top was covered with several sheets of paper. It was an old, rustic table. A small table. The floor was made of glass and emitted light. The underside of the glass was coated in opaline. It was a sort of lightbox. The door stood out clearly in this large white room.
When he passed behind the man at the table, he didn’t look up. He walked indecisively across the room and at the end saw the wall give way. His footsteps sounded louder than before, fuller. When he stood still he heard an echo, as if from a heavy door he had slammed in a very large room. He was in the room, but he could not clearly see its limits. It was as if he was imagining the room. He was not standing on the floor, but slightly sunken into it. So as not to stumble, he had to go up a small step, just as if he were stepping out of a small, shallow pit. He felt himself becoming very broad, like a wall. He turned round. He noticed something on the floor but didn’t know what it was. Perhaps it was a bird that had once been preached to.

(translated by Gregory Ball, March 2018)