a img373W

HET ONDERZOEK VAN ERIC COLPAERT – de mens woont overal en nergens

Eric Colpaert exploreert overgangszones. De gebruikelijke codes van de waarneming, de ruimtebeleving en de zelfbeschouwing komen op een helling te staan. Hij mijdt echter een nieuwe programmering. Tegenstellingen gaan de confrontatie aan of heffen elkaar op. De werken – installaties, objecten, tekeningen, – dragen een, complexe verstrengeling in zich van agressie, dreiging, gevaar, onderkoeld onderzoek en roes, sensualiteit en intimiteit, humor en ironie, sereniteit en verstilde poëzie, het etherische…

Eric Colpaert, geboren in 1959 en verblijvend te Gent, volgde een opleiding in de architectuur en de beeldhouwkunst. De ruimte en de ruimtebeleving vormen een belangrijke spil van de vraagstelling en het onderzoek. De werken zelf ogen architecturaal, uitgepuurd en constructief. Ze hebben een sterke eigen ruimtelijkheid en zijn welbewust opgenomen in een context. Toch was vooral de onvrede met de architectuur een stimulans om zich in het domein van de kunst te begeven. Tussen de huidige architectuur en de mens is een discrepantie ontstaan. Het archetypische huis, waar elk ding zijn plaats heeft en waar ook de mens zich kan definiëren is teloor gegaan. Noch de bebouwde omgeving, noch de natuur, opgeslorpt door de cultuur, bieden geborgenheid. Snelheid, jachtigheid, versnippering hebben het gewonnen van rust, intimitiet en massieve zekerheid. De 20ste-eeuwse mens is voortdurend onderweg.
De drie glaspanelen van ‘Les promeneurs’ (1986-’87) leunen, elk op een paar schoenen geplaatst, tegen de muur. De toeschouwer staat oog in oog met zijn vage weerspiegeling in het glas. Zelfbezinning en –onderzoek nemen af. De mens leidt aan persoonlijkheidsverlies. Hij wordt meer en meer gespleten en gelaagd. Anoniem, initiatiefloos en invulbaar. Hij laat zich vol schrijven door impulsen van buitenaf, door de toevloed van media en publiciteit, in een poging daar een identiteit aan te ontlenen. Zijn positie als middelpunt van alle zingeving en betekenis is opgeheven. De mens is niet meer het begin en het einde. Hij verdwijnt als het ware. Vanuit dit besef kan de tocht aanvangen, met als drijfveer de wil tot inwijding, het verlangen naar een verruiming van inzicht en spiritualiteit.
Het wordt een nomadische zoektocht, een vragen stellend onderweg-zijn, in de hoop een hoger niveau te bereiken. Dan lijken de panelen drie entiteiten, drie tegemoetkomende gezanten, die een nieuw mensbeeld vertegenwoordigen. Een vorm van transparante mens met een hogere essentie. Zo blijkt de weerspiegeling uiteindelijk waarachtiger dan het weerspiegelde.

In de installatie ‘Il y a trop de monde’ (1990-’91) dienen de mensvormen zich aan als de doorzichtige silhouetten in plexiglas, aangebracht op het water. De betekenisloze figuren gaan volledig op in het omringende landschap. Soms manifesteren ze zich door de lichtinval als witte, quasi ondoorzichtige schimmen. Ze zijn vergeestelijkt. Een waterwiel, door de sjabloonmensen genegeerd, staat voor de stuwkracht achter dit proces. Het draait haast hypnotiserend traag, zonder enige deining in het water te veroorzaken. Alsof het volkomen autonoom is, onafhankelijk van deze wereld. Het geheel heeft iets van een poëtisch, romantisch landschapsschilderij. Er sluipt echter een spel van wisselwerkingen en ambiguïteiten binnen. Het oprijzen van de mens uit het water als het ontstaan van nieuw leven of het wegzinken, de ondergang van het mensdom. De interactie tussen het kleinmenselijke en het verhevene. De nietigheid van de mens ten opzichte van de kosmos, het samenvallen met de omgeving, het verdwijnen en het oplichten, het verschijnen. Allemaal modaliteiten van het op-weg-zijn.

Het labyrint
De mens woont nergens en overal. Heel de planeet is woning geworden. Het zwarte huis, dat meermaals voorkomt, is gesloten en a-functioneel. De zwarte kleur werkt de onthechting aan het banale in de hand. Het wordt een teken. Een negatie van het huis, een anti-huis, waar omheen wordt gewoond. Het huis is een ‘tussen de regelsituatie’, die meer waarheid en weten bevat dan de uitgeholde leefwereld eromheen. Het gebeid tussen de regels kan ook de vorm aannemen van een labyrint. Wonen en zoeken worden haast synoniem. Het complexe geheel van kamers en gangen houdt de dreiging van verdwalen in. De terugweg kan onmogelijk zijn. De structuur van het ‘Labyrint’ (1991)’92), witte voile opgehangen aan een frame, laat nochtans een tedere, beschermende behaaglijkheid vermoeden. Als in een cocon. DE bezoeker kan er slechts omheen bewegen. De luchtverplaatsing brengt dan het labyrint in beweging. Het deint uit en krimpt in. Het is ijl, ongrijpbaar en blijft zijn geheimenissen behouden. Een versluiering van het onbevattelijke?

Het heiligdom
De voile of sluier in het werk van Eric Colpaert fungeert als een filter. Zoals een gordijn de intieme binnenruimte afschermt van de agressieve buitenruimte, filtert en doseert de voile ‘de andere kant’. ‘Zonder titel of YL’ (1989): een ventilator, gemonteerd in een spiegel, spiedt de omgeving af als een bizar geharnast hoofd. Het trage heen en weer draaien is echter ook een koninklijk en soeverein schouwen. Tegenover de spiegel verdoezelt een witte sluier het weerspiegelde. Hij wordt zachtjes in beroering gebracht door de luchtstroom. Dit introduceert sensualiteit en veronderstelt aanwezigheid. De nuchtere vormgeving brengt dan weer het klinische, het hygiënische en het reinigende naar voren. Boven de celvormige ruimte, aangezet door de spiegel en de voile schuift een wit platform als een baldakijn uit de muur.

De installatie krijgt het aanzien van een heiligdom, met schroom en eerbied te betreden. In die tussenzones worden ook transmissiemogelijkheden aangereikt. De ladder, zowel in installaties als tekeningen aangewend, is zo’n overgangselement, een brug tussen twee werelden. De spiegel suggereert eveneens een passage, een deur. Bijwijlen is dat een parabolische spiegel. Een microkosmos die de zichtbare werkelijkheid opvangt. Maar deze wordt door de bolle cirkelvormige spiegel verdraait en verkromt.
Het circulaire wijst op beweging. Beweging die op zichzelf terugplooit. Een rondgang is ook een omarming: koesteren, het willen opgaan, het willen versmelten. Soms roteren bepaalde elementen effectief, maar dan met een statige traagheid. Soms wordt alleen een indruk van beweging gewekt. Zo waaieren langs het ‘Bed’ (1990) drie glasplaten uit, vastgehecht aan een glazen schijf. Het bed doet door zijn onverbiddelijke hardheid denken aan een operatietafel. Het kussen is uitnodigend zacht. In die duizelende verwarring tussen aantrekken en afstoten kunnen inzichten ontluiken? De strakheid roept een afstandelijk onderzoek op; een mentale chirurgie. Het denken wordt echter ook verleid. De ronde glasplaat lijkt de aandrijvende dynamiek van dit alles. Het bed is geen evocatie van de slaap, maar appelleert eerder aan een grotere alertheid, een scherpen van de zinnen en het denken.

Onderzoek en inspiratie
Eric Colpaert beweegt zich in interactiegebieden. Tussen deze en gene zijde, tussen de tegenstellingen, tussen intuïtie en theoretisch onderzoek. Dat onderzoek wordt altijd gestuurd door de inspiratie. Hij gaat daarbij met een grote terughoudendheid te werk. De werken zijn helder, leesbaar en schijnbaar eenvoudig van opbouw. Hij kiest voor nieuwe materialen die geen voorgeschiedenis bezitten en losstaan van alle anekdotiek. Dit staat niet gelijk met eenduidigheid. Verschillende niveaus overlappen elkaar, doordringen elkaar, lopen in elkaar over. Ook de actuele ruimte wordt als dubbelzinnig en gelaagd ervaren. Ze is agressief en duldt geen vast afgebakende volumes meer. Richtingloosheid en snelheid overheersen.
In het corpus tekeningen (1985-’86-’87) wordt een dergelijk ruimteconcept opgeroepen en onderzocht. Met zwarte inkt worden alleen de omtreklijnen aangegeven op het witte blad. Kamers glijden in elkaar of vertonen merkwaardige niveauverschillen. Er worden openingen naar boven aangebracht en putten of valkuilen die een onpeilbare diepte doen vermoeden. Ladders en touwen lijken een uitweg te bieden. Of zetten ze aan om verder in deze onwezenlijke ruimte door te dringen? De vele doorkijken geven geen uitsluitsel omtrent eindigheid of oneindigheid. Zwevende volumes, onderbroken pijlers, traptreden zonder enig aanhechtingspunt. De dingen spatten uit elkaar in fragmenten. Een brief groeit uit tot een driedimensionele vorm. Een stoel staat uitnodigend op een vervaarlijke richel over een afgrond. Objecten doorboren elkaar of grijpen in elkaar. Soms krijgen ze het aanzien van bevreemdende, maar tegelijkertijd aandoenlijk in elkaar geknutselde machinerieën.

De vertrouwde ruimteweergave is ontwricht. Alles is onderhevig aan verandering: transformaties, perforaties, ontdubbelingen. De klassieke natuurwetten worden omzeild. Stabiliteit en zwaartekracht verliezen hun greep. Binnen en buiten, links en rechts, voor en achter, boven en onder zijn niet meer in tel. De oriëntatie is verstoord. Deze fictieve ruimten zijn onheilspellend, gewelddadig, duizelingwekkend. In een herkenbare en voor ons bevattelijke beeldtaal laat het oeuvre van Eric Colpaert toe een glimp op te vangen van het ondefinieerbare afwezige.

(Christine Vuegen, Kunstbeeld Juli/Augustus 1992 16e jaargang nr. 7/8 p. 35-37)