KUNNEN WE DE RUIMTE AANVOELEN ALS ER IETS ANDERS IS?

 

Een tafel in een kamer. Achter de tafel: een stoel. Vanaf de stoel, over de tafel heen, in de muur: een raam. De kamer is sober. De stijl van het interieur is deze die men zich toewenst om even tot zichzelf te komen, een boek te lezen of zelfs iets neer te schrijven. Het zicht buiten is geen hindernis. Het versterkt de sfeer van de stille eenvoudige kamer (indien men zich deze stille eenvoud toewenst) bijvoorbeeld een pastoraal landschap, een druilerig stadszicht (met wisselende regendruppels tegen het raam), blanke sneeuw, verlaten duinen onder een herfstzon (zoals nu en hier bijvoorbeeld).
Als kind, weet men, was men in een kamer omdat men die ontdekte; de ruimte tussen de zetels, de ruimte onder tafel, het zicht op de kamer gezien door de spleet van een deur, wanneer die helemaal open stond en men in een hoekje gedrukt nog extra bescherming ondervond van de onderste scharnier.
Terug. De stille kamer, bijna imaginaire geworden. Het hoofd gonst. We zijn te vlug oud geworden, of er is teveel, te vlug op ons af gekomen. De landschappen buiten veranderen en dragen geen goedkeuring met zich mee, onttrekken zich wellicht aan goedkeuring. Het is autonome lelijkheid die ons zo beschadigt dat we er ons spoedig in verliezen. Daarom het idee van die kamer met dit fictief geworden uitzicht. Fictief geworden omdat men het enkelvoudig wil.
Men staat voor het raam. De handen op de rug. Een eenzaam silhouet. De kamer is heel groot geworden, ook heel hoog. Dit weet men. Om ertegenop te kunnen, om zich een houding aan te nemen, staat men recht en waardig.
Toch ingetogen en in gedachten verzonken. Men gaat over.
Buiten: het ijlend verkeer verstoort de ruimte, ontneemt elke zichtbaarheid.
De deur staat open. Men wil het niet, men verlaat zijn plek om haar te sluiten. Men gaat weg en verdwijnt.
Na het middagmaal. Weinig is nog hetzelfde.
De vloer bijvoorbeeld is opalineglas en wordt vanonder door T.L.-licht beschenen. De contouren van de lampen zijn niet te zien. Dit is belangrijk. De oude plaats is verdwenen. Het raam is weg. In deze ruimte wordt men heel snel oud of kinderlijk, want er is geen standvastigheid.
…men stond bij het raam met de rug tegen de muur. Voor zover men weet was de kamer groot, rechthoekig, kaal.
De muren hadden geen kleur.
…door de deur te sluiten staat men plots ver in de kamer, daar waar de vloer een verlaagd niveau vertoont, rechthoekig van vorm, iets groter dan een deurmat, ook iets dieper. De rand, eveneens in opaline uitgevoerd, geeft licht. Terwijl enkele glasplaten onhoorbaar over de vloer schuiven, kijkt men schuin omhoog, om dit niet te zien. Het plafond heeft stompe hoeken. De randen zijn krom. Wanneer men ergens in de kamer voetstappen hoort, komt er uit de muur zacht maar aanhoudend gebonk. Men kijkt schuin omhoog en volgt de randen van het plafond alsof men daar de oorzaak van het gebonk zoekt. De voetstappen zijn heel dicht genaderd tot vlak achter je. Tot zover deze namiddag.
De avond was anders. Vòòr de schemering inviel had hij nog een glimp opgevangen van zichzelf. Hij zag eruit als een portret van Bacon, maar dan kleurloos. Het licht van de vloer had zich teruggetrokken in de contouren van de kamer, op de vloerlijnen na, die bleven zwart zoals de muren en het plafond. Dit was pas later, toen het overal donker was.
In de schemering had hij dit nog gezien: in de hoek van de kamer een kabinet. Zwarte draperieën, ze konden ook dof gekleurd zijn, maar door het schaarse licht (dat van een enkele, heel zwakke gloeilamp kwam) leken ze zwart, hingen aan vuil-stalen roedes, die een voet hoger waren dan een standaarddeur, tot op de vloer.
Bijna immanent geworden wou hij slapen in de plooien van dit kabinet. Hij was moe geworden. Hij had zich nu ook verplaatst, hij vergleed bijna.
De volgende dag: dezelfde kamer. Hij verwachtte ongenood bezoek. Hij wist niet wanneer. Op tafel uitgespreid lag krantenpapier en een asbak met wat chroompoets waarin hij nu en dan zijn vinger, verborgen in een vod, doopte en er zilverwerk mee inwreef. Heel traag ging hij te werk en dof klonk het plaatsen van de dingen op het papier.
Hij zat midden in de kamer. Het plafond had zich meer uitgezet. Steeds trager zou hij poetsen. Maar hij bleef in beweging toen hij de kamer binnenkwam en zichzelf herkende. Tegen de ramen sloeg de regen. Druppels zochten zich een weg naar beneden. Zijn haar was nat. Hij liep naar het raam en draaide zich daarna om zodat hij naast het venster met de rug tegen de muur stond. Midden in de grote kamer zag hij aan een tafel iemand zilverwerk oppoetsen. Zijn gedachten bleven noch bij de man aan tafel, noch bij de aanblik van de straat die hij daarnet door het raam had gezien. Hij was nog niet aangekomen. Hij keek naar de kromme randen van het plafond. Boven de man aan de tafel was een vreemde schaduw. Een deel maakte zich los en schoof langzaam naar een hoek van de kamer. Omhoogkijkend liep hij ernaar toe. Hij struikelede bijna toen hij opzij onder de schaduw ging staan. In de vloer was een uitsparing, iets groter dan een deurmat en een halve trede diep. Tot dan toe had hij niets gevoeld dan stilte, niets gehoord dan het geluid van zijn voetstappen op de glazen vloer.
Hij zat terug aan tafel en keek naar het niveau dat bedolven lag onder een berg teelaarde, die zich door de aanhoudende regen over de vloer verspreidde. Het werd avond. Het licht van de vloer nam af, maar bleef stralen.
De kamer werd donker. Toch kon hij, toen zijn ogen aan het donker gewoon waren, de draperieën van het kabinet in de ruimte duidelijk onderscheiden. Het laatste licht van de vloer verdween en kroop in de contouren van de kamer. Hij wist dat nu buiten de kasseien glommen.
In deze nacht ging hij liggen, verspreid. Hij was vooral teelaarde, minder vloer, omdat de koude hem weerhield.

(Eric Colpaert, januari 1990 Oostduinkerke – voor het eerst gepubliceerd in POSE 5, december 1990 ’s-Hertogenbosch (Nl.). Negen bijdragen over ‘Ruimte’ met teksten van Annemie van Kerckhoven, Toine Ooms, Sebastiaan Poos, Bart Verschaffel, Roland Schimmel, Ole Bouman, Eric Colpaert, Giovanni Paolo Galluci en Werner Meissenberg).

 

 

 

CAN WE SENSE SPACE WHEN THERE IS SOMETHING ELSE?

 

A table in a room. At the table is a chair. In the wall seen from the chair across the table is a window. The room is plain. The style of the interior is what one would wish for oneself, to come to rest, to read a book or even write something. The view outside is no obstacle. It enhances the atmosphere of the simple, quiet room (if one wishes this quiet simplicity for oneself); it may be a pastoral landscape, a view of the overcast city (with varying raindrops against the glass), white snow, or deserted dunes under an autumn sun (as is the case while I am writing).
One knows that as a child one was in a room because one was discovering it; the space between the armchairs, the space under the table, the view of the room through the crack of a door when it was completely open and, squashed into a corner, one found extra protection from the lowermost hinge.
Back to the quiet room, now become almost imaginary. The head is buzzing. We have grown old too quickly, or else too much has happened to us, too fast. The landscapes outside change and bring no approval with them, probably refuse approval. It is autonomous ugliness that damages us so much that we soon lose ourselves in it. Which explains the idea of this room with the view that has become imaginary. Became imaginary because one wants it simple.
One stands at the window. Hands behind the back. A solitary silhouette. The room has grown very large, and very high too. One knows this. To be able to deal with it, to adopt an attitude, one stands up straight and dignified.
Yet subdued and engrossed in thought. One moves on.
Outside: the hurrying traffic disturbs the space, deprives it of all its visibility.
The door is open. One does not want that, one leaves one’s place to close it. One goes away and vanishes.
After lunch. Little is still the same.
For example, the floor is in opaline glass and is illuminated from below by fluorescent tubes. The outlines of the lamps cannot be seen. This is important. The old place has disappeared. The window has gone. In this room one very quickly becomes old or childlike, because there is no constancy.
… one stood at the window with one’s back to the wall. As far as one knew, the room was large, rectangular and bare.
The walls had no colour.
… by closing the door one is suddenly standing deep in the room, where the floor is at a lower level, rectangular in shape, slightly larger than a doormat and also slightly deeper. The edge, also in opaline, emits light. While several sheets of glass slide inaudibly over the floor, one looks up diagonally so as not to see it. The ceiling has obtuse angles. The edges are crooked. When one hears footsteps somewhere in the room, a gentle but sustained pounding emerges from the wall. One looks up diagonally and follows the edges of the ceiling as if one were looking for the source of the pounding there. The footsteps have come very close, right up behind you. That was this afternoon.
The evening was different. Before twilight descended, he had still caught a glimpse of himself. He looked like a portrait by Bacon, but with no colour. The light from the floor had withdrawn into the outlines of the room, except for the lines of the floor, which remained black like the walls and ceiling. This was only later, when it was dark everywhere.
In the twilight he had still seen this: a cabinet in the corner of the room. Black curtains, or they may have been a dull colour, but the dim light (from a single, very weak lightbulb) made them look black, hung on dirty steel rods that were a foot higher than a standard door, reaching down to the floor.
Having become almost immanent, he wanted to sleep in the folds of this cabinet. He had grown tired. He too had moved, he almost slipped by.
The next day: the same room. He expected an uninvited visit. He didn’t know when. Newspaper was spread out on the table, and an ashtray with some chrome polish into which he occasionally dipped his finger concealed in a rag and then with it rubbed some silverware. He worked very slowly and it was a muffled sound when he put the things on the paper.
He was sitting in the middle of the room. The ceiling had expanded even more. He would polish increasingly slowly. But he remained in motion when he came into the room and recognised himself. The rain battered against the windows. Drips sought a way down. His hair was wet. He went to the window and then turned round so that he was standing next to the window with his back against the wall. He saw someone polishing silver at a table in the middle of the large room. His thoughts did not stay with the man at the table, nor the sight of the street he had just seen through the window. He had not yet arrived.
He looked at the crooked edges of the ceiling. There was a strange shadow above the man at the table. Part of it separated off and slowly shifted towards a corner of the room. He went towards it, looking up. He almost stumbled when he moved sideways to stand beneath the shadow. There was a depression in the floor, slightly larger than a doormat and half a step deep. Until then he had not felt anything but silence, heard nothing except the sound of his footsteps on the glass floor.
He sat down at the table again and looked at the level that was buried under a mound of garden soil that was being spread over the floor by the persistent rain. It turned into evening. The light in the floor diminished, but continued to glow.
The room darkened. Even so, when his eyes had become accustomed to the darkness, he was able to clearly distinguish the curtains from the cabinet in the room. He knew that the cobblestones outside were now gleaming.
In this night he lay down, spread out. He was above all garden soil, less floor, because the cold restrained him.

(translated by Gregory Ball, March 2018)